COLLECTOR'S ITEM _ ASTON MARTIN DB4 SERIES I SPORTS SALOON (1959)

Een Oost-Vlaamse verzamelaar wist begin dit jaar een vroege Aston Martin DB4 op de kop te tikken die dertig jaar in een schuur stond en vervolgens tot in de perfectie werd gerestaureerd. We gingen de schoonheid bewonderen.

Trots toont hij het indrukwekkende restauratieboek. “Ik heb 'm pas”, lacht hij. “Twee keer mee gereden.” De motorkap gaat open. De originele motor oogt als nieuw. Wanneer hij 'm start, brengt de zescilinder zijn heel eigen geluid ten berde. “Helemaal anders dan een Jag”, lacht de man, die uit ervaring spreekt. Hij neemt enkele meters afstand en staart naar zijn auto. “Kijk eens naar die verhoudingen”, mijmert hij. “Zijspiegels waren destijds een optie. Die mis ik niet, neen. Ze breken de lijn. En er is toch niemand die je inhaalt.”

Hij heeft een tiental klassiekers. Waarom deze in de collectie paste? “De passie voor de vroege DB4 heb ik altijd gehad”, klinkt het. “En in deze auto klopte alles. Om te beginnen de facts. Van de DB4 zijn er vijf series. Dit is er een van de eerste, en dan nog een vroege. Dat zie je aan de frameless windows en de smalle bumpertjes – dat zijn sculpturen op zichzelf. Deze auto heeft dezelfde body als de beroemde DB4 GT, die haast uitsluitend voor de racerij diende en een iets kortere wielbasis heeft. De rest is emotie. Ik zie 'm enorm graag, ook omwille van de magnifieke kleurencombinatie: elusive blue met rood Connolly-leder.”

“En hoe gaat zoiets?”, gaat hij verder. “Je ontmoet iemand, praat wat, en wordt beetje bij beetje in een richting geduwd, tot je hem wil. Dan kom je gauw tot een deal. Een ruil, in dit geval. Voor mij was dat de eerste keer in bijna veertig jaar passie. De vorige eigenaar wilde dolgraag mijn groene Pegaso Z-102 Berlinetta Enasa. Dat laatste slaat op het fabriekseigen, Spaanse koetswerk. Ik heb nog een Pegaso, maar met een koetswerk van Touring Superleggera. En twee Pegaso's in één mensenleven is wat te veel. Hoewel, ik heb er drie gehad. In 1999 kocht ik de eerste – ik had er nog nooit een in het echt gezien.” 

Moeiteloze elegantie

Dat het koetswerk van de Aston Martin werd gebouwd bij Touring Superleggera in Milaan is niet onbelangrijk. Daardoor past hij goed bij een aantal van zijn andere auto's. Behalve de Pegaso is er ook een Alfa Romeo 6C 2500 Coupé Touring Superleggera die een Best of Show won op het Zoute Concours d'Elegance, en een Ferrari 166 Berlinetta Touring Superleggera. “Carrozzeria Touring Superleggera bouwt nu onder andere speciale koetwerken op Maserati's, Ferrari's en Alfa Romeo's”, zegt hij. “Dat is nog steeds pure artisanale automobielbouw. Ik ken de eigenaar, Roland D'Ieteren, en Louis de Fabribeckers, de designchef. Als ingenieur ken ik ook zelf wel iets van carrosseriebouw, al ben ik meer betrokken bij de luchtvaart.”

Het is een rijdersauto, benadrukt hij. “Iedereen denkt altijd meteen aan de DB5 van James Bond, maar ik zie in deze auto de echte spirit van Aston Martin. Een prachtige zescilinder in lijn met dubbele bovenliggende nokkenassen, een goede manuele versnellingbak van eigen makelij en een mooie gewichtsverhouding tussen voor- en achteras. En daarbovenop: tijdloze, Italiaanse elegantie. Dat is de ziel van de echte GT. De combinatie tussen voldoende vermogen, niet om te racen maar om je overal snel en zonder zorgen naartoe te brengen, en een elegante, gebalanceerde carrosserie. Het designteam van de Ferrari Roma noemde het effortless elegance. Dat zou je het thema van mijn collectie kunnen noemen. Vandaag kunnen nog maar weinig merken een tijdloze auto tekenen. En je moet elke auto in zijn tijdvak zien, maar auto's uit de jaren 50 vind ik onovertroffen.”

“De motor is even mooi als het binnenwerk van een horloge”, zegt hij. “Dit is nog degelijke, Engelse mechaniek, met de hand gebouwd door vakmensen die de stiel voor de oorlog geleerd hadden. Vanaf de jaren zeventig werden de auto's minder betrouwbaar. Ook bij Ferrari, Maserati en Lamborghini.”

Geen winterslaap

Deze DB4 werd in 2016 via Bonhams verkocht. “Toen was hij rood, en rechtsgestuurd”, vertelt de eigenaar. “Na een poging tot restauratie had hij dertig jaar in een schuur gestaan. Hij was goed bewaard – in tegenstelling tot veel andere exemplaren. Volgens de man die 'm restaureerde en van wie ik 'm kocht, werden er geen nieuwe panelen gemonteerd. Nu is hij weer helemaal zoals hij nieuw geleverd werd.”

Hij kocht nooit eerder een totaalrestauratie. “Ik zou het zelf ook nooit overwegen. Ik geloof in continuous maintenance. Als ik 'm in 1959 had gekocht zou ik 'm gepamperd hebben, maar ook gebruikt. En eventueel na dertig jaar eens het koetswerk laten schilderen. Dat noem ik preservation cars: auto's die de tijd goed hebben doorstaan, met zo min mogelijk vervangen componenten. De andere optie is een verweerde auto totaal strippen, en bij de restauratie zoveel mogelijk onderdelen hergebruiken. Voor de DB4 kan je een gloednieuwe body bestellen – maar dan is het een Engelse, geen Italiaanse.”

“Niets is eeuwig”, zegt hij. “Je moet van alles ooit afscheid nemen. Maar wat niet weggaat, zijn de verhalen. Elke auto in mijn leven heeft een verhaal. Bij dit exemplaar is er relatief weinig historiek. De eerste eigenaar was meneer Carlaw, van een dynastie van autodealers in Glasgow. Maar ik hoop de volledige historiek te reconstrueren. Natuurlijk! Dat is altijd een uitdaging. Er zijn specialisten die je daarvoor kunt inhuren, maar ik zoek het verhaal zelf.”

Intussen zal de auto niet stilstaan. “Een weekenduitstap naar de champagnestreek zal er wel van komen, er echt mee reizen wellicht niet: je kan 'm niet zomaar overal achterlaten. Sommige verzamelaars zetten hun auto's als kunst in hun eigen garage. Ze strelen ze, poetsen ze en laten ze af en toe eens draaien. Als relatief kleine verzamelaar wil ik geregeld rijden. Elke drie, vier weken rijdt elke auto. Soms kort, maar toch. Eens twee maand stilstaan is geen ramp, maar ik laat ze niet in winterslaap gaan. Slecht weer en druk verkeer mijd ik wel. Ik moet dus mijn momenten uitkiezen.”

The car is the star

Occasioneel rijdt hij een rally, maar zijn grote dada zijn concours d'elegances. “Met deze auto zal ik wellicht deelnemen in Knokke of Chantilly. Voor het Concorso d'Eleganza Villa d'Este is hij niet speciaal genoeg. De DB4 is een juweeltje, historisch belangrijk ook, maar wel in serie gemaakt – al verschilden ze allemaal wel een beetje van elkaar. Op Villa d'Este hebben ze graag zeer zeldzame auto's, one-offs of auto's met een zeer bijzondere historiek. Daar is het de kunst om als kleine verzamelaar te verschijnen met een auto die zich kan meten met de groten der aarde. Ik was er onder meer met de groene Pegaso – het oudst bestaande exemplaar. Als gast had ik toen de kleinzoon van Wifredo Ricart uitgenodigd, de Spaanse ingenieur die auto's in de jaren 50 bouwde. We zijn ook samen gaan rijden in mijn auto. Dat is op zich al fantastisch. Vaak krijgen we het verwijt dat we showmensen zijn die willen uitpakken met rijkdom of hun toch zo goeie smaak. Ik ben er zo nog maar weinig tegengekomen. Mijn basisprincipe luidt: the car is the star. Ik vind het ook belangrijk dat die kunstwerken op wielen naar buiten komen, zodat mensen de kans krijgen om ze te zien en kinderen er misschien zelfs eens in kunnen meerijden.”

“Het is zoals de slogan van Patek Philippe”, zegt hij. “You never actually own one. You merely look after it for the next generation. Je koopt ze niet voor jezelf maar bewaart ze voor je opvolgers. Voor dat klein manneke dat zit te spelen met een klein autootje. Prachtig vind ik dat. Al is mijn dochter meer bezig met klassiekers dan mijn zoon. Zij zat van meet af aan achter het stuur en onder de motorkap. Ze ziet meer het artistieke, het unieke ervan. Maar ik denk nog niet na over wat er later met mijn auto's zal gebeuren.”

“Ik hoop dat de DB4 lang genoeg bij mij blijft. Ook de Pegaso had ik best wel willen houden, hoor. Maar alles in stand houden kost geld, en mijn middelen zijn niet onbeperkt. Soms ben je genoodzaakt om afscheid te nemen, omdat je keuzes moet maken. Het leven is te kort om dat niet te doen. Ik kan goed afstand nemen van iets, op voorwaarde dat ik iets boeiender, interessanter of zeldzamer vind. Daarvoor moet ik dan iets anders opofferen. Een actieve, evoluerende collectie is toch anders dan een statische verzameling. Er moet beweging zijn, vind ik.” 

 

Photography by: Ollivision Photography