DE RESTAURATEUR - ARIE JEAN

Arjen Geirnaert (43) van Arie-Jean in Waarschoot is een mecanicien met karakter. Hij staat aan de absolute top inzake vooroorlogse auto's. Maar daar is het leven niet eenvoudig. In de relatie met zijn klanten balanceert hij tussen passie en frustratie.

Als we de zaak betreden geloven we onze ogen niet. De Talbot-Lago T150-C SS van eind de jaren 30 met het schitterende waterdruppelkoetswerk van Figoni et Falaschi is een auto die we in het wild nooit eerder zagen. Hij is letterlijk miljoenen waard. Maar dat boeit Arjen Geirnaert niet. “Ik heb er 150 meter mee gereden en vind 'm levensgevaarlijk”, zegt hij. “Mijn klant rijdt er gewoon mee op de weg. Maar hij remt niet goed – te hard, eigenlijk. Ik hoop dat ik de kans krijg om de auto volledig goed te krijgen.”

Over het exacte type moest hij even nadenken. “Ook dat interesseert me niet zo”, klinkt het laconiek. “Maar toon me een motor en ik zie meteen of het een Europese of een Engelse is.”

“In de humaniora bracht ik meer tijd door met mijn brommer dan met mijn lief, maar wat ik met mijn leven moest aanvangen, dat wist ik niet”, vertelt hij. “Nadien ben ik begonnen met een studie Handelswetenschappen. Na twee jaar ben ik daarmee gestopt, om een graduaatsopleiding automechanica aan te vatten. Dat had ik veel vroeger moeten doen. Maar mijn familie kijkt erop neer. Ik probeer een waardevol leven te leiden, maar zij waarderen niet wat ik doe. Domme mecanicien, denken zij. Achterlijke academici, noem ik hen. Zodra ze van de universiteit komen, denken ze dat ze het gemaakt hebben. Ik dacht lang dat ik daar ook aan moest voldoen. Maar op een bepaald moment heb ik foert gezegd.”

Het zal duidelijk zijn: Geirnaert draagt het hart op de tong. “Ik werkte graag aan 2PK's en DS'en maar had snel door dat in België niemand echt goed kon restaureren – ik weet dat dat verwaand klinkt maar dat is het niet”, gaat hij door. “Eind jaren 90 trok ik naar Engeland, voor een stage aan het Colchester Institute. Er was nog nooit iets gelukt in mijn leven, maar ik was zeer enthousiast en na afloop wilde ik overal werken. Na een smeekbede kwam ik terecht bij Arthur Archer, waar ik met dit soort auto's in contact kwam. Het modernste daar was een telefoon met een draaischijf. Daar heb ik gedurende tweeënhalf jaar de basis geleerd van wat je moet doen om een auto áf te krijgen.”

 

Marilyn Monroe

Toen hij terugkwam begon hij zijn zaak. “Meestal start ik waar anderen stoppen. Ze hebben de kennis niet, of ze zijn zo arrogant te denken dat ze het beter weten dan de toenmalige ingenieurs. Of beiden.” Hij toont een prachtige Delage D6-75 TT (1939). “Mijn klant kocht 'm voor 300.000 euro, met de garantie dat de motor herbouwd en verbeterd was – er was een lange lijst van uitgevoerde werken bij. Maar hij rijdt voor geen meter. Nog tien kilometer en hij is volledig naar de vaantjes. Ik moest aan mijn klant zeggen dat hij een nieuwe motor nodig heeft. Het is uitgedraaid op een rechtszaak met de vorige eigenaar.”

Het is duidelijk een moeilijke business. De grootste en rijkste verzamelaars zijn hier klant. En dat is niet altijd een eenvoudige relatie. “Verkooppraatjes – 'Marilyn Monroe heeft er nog mee gereden' – interesseren me niet”, zegt Geirnaert. “Veel collega's overstelpen hun klanten met complimentjes over hun auto's. Ik zeg waar het op staat. Veel mensen hebben op een bepaald moment een auto met zodanig veel mankementen dat ze hem beu zijn. Dan komen ze naar hier, met hoge verwachtingen. Dat maakt het moeilijk, maar ook interessant. Ze willen rijden maar moeten realistisch zijn. Je weet niet altijd waar het heen gaat. Motor, remmen, chassis, veren: het stopt niet. En dat zijn geen quick fixes. De realiteit is: zo'n auto stabiel krijgen duurt lang en kost veel geld. Als je auto's koopt en verkoopt, zijn ze weg. Dat is een groot verschil met wat ik doe. Ik trouw met mijn klanten. En ja, soms loopt het uit op een echtscheiding. Waarna ik alimentatie moet betalen, want anders zijn ze weer weg. Het zijn niet de makkelijksten. Vaak zijn het bazen die het gewend zijn om hun goesting te doen. Soms raken ze gefrustreerd en komt dat instinct boven. De scheldtirades die ik moet horen! Al krijg ik met ouder te worden wel meer krediet.”

“Mijn grootste plezier? Als ik een klant zo ver krijg dat hij me een compliment geeft”, lacht hij. “En met sommigen klikt het, hoor. Zeker met Engelsen. Ik hou van hun humor – 'Als je zo lelijk niet was, zou ik u kussen', zeg ik weleens. En Nederlanders appreciëren mijn directheid. Ik ben ook getrouwd met een Nederlandse. Zij vond me een intelligente mens, geen macho. Voorts heb ik veel klanten uit Duitsland.” Hij wijst naar een Bentley, een Hotchkiss en een Railton. “Zij vinden in eigen land niemand die dit kan.”

Exotisch getuned

“Een auto uiteindelijk totaal vrij van problemen krijgen, dát vind ik wijs”, zegt hij, en hij neemt ons mee voor een rit in een Rolls-Royce Phantom I. “Alle hebben ze dezelfde motoren, maar toch reageren ze allemaal anders. En fijn afstellen vergt kennis en tijd.” De auto van ruim negentig jaar oud rijdt en remt verbazend goed. Hij haalt vlotjes zeventig kilometer per uur. Het gevaarte op snelheid houden vergt wat lef, maar daaraan ontbreekt het Geirnaert niet. “Ook deze auto reed voor geen meter”, zegt hij. “We zijn dertig tot veertigduizend euro verder, en nu is hij weer goed voor twintig jaar. Er is niets aan getuned, niets aan veranderd. De klant zal tevreden zijn.”

“Ik probeer zoveel mogelijk referenties te vinden”, vertelt hij na afloop. Hij toont een muur vol originele werkplaatstekeningen. “Zo hebben we een hele bibliotheek. Ze komen uit archieven van clubs, verzamelaars, enzovoort. Dat is mijn basis: respect voor de mensen die de auto's destijds ontwikkelden. Natuurlijk leer je ook met trial and error begrijpen hoe iets werkt.” We zien een Bugatti Type 55 waaraan hij bezig is. “Reed miserabel”, zegt hij. “De motor was op zeer exotische wijze getuned. Hij was haast sportiever dan een Formule 1. Ik heb in The Bugatti Trust de tekeningen opgezocht en de motor perfect nagebouwd. Die auto gaan we afstellen zoals het origineel, op de testbank zetten, en 'm dan misschien iets beter en efficiënter maken.

Reverse engineering

Aan jongeren met belangstelling voor oude techniek biedt Geirnaert een onwaarschijnlijke leerschool. “De meesten komen binnen als stagiair. Ik moet dan het kaf van het koren scheiden. En af en toe blijft er iemand. Stan werkt hier al vijf jaar, Lenny drie jaar. Ik ben geen makkelijke. Wat zeg ik? Ik kan een enorme beuzak zijn. Ik vind het erg vervelend als ze aan mijn kop komen zagen, maar als ze dat niet doen is het nog erger.” (Lacht)

“Maar ik betaal hen goed en zorg voor een goede sfeer”, zegt hij. “Recent zijn we op de Nürburgring veertig auto's gaan testen – een klant had daarvoor gezorgd. En samen met die jonge gasten onderdelen maken, en eens doorgaan tot elf uur 's avonds: ook dat is een van mijn grote pleziertjes. Met ouderen gaat dat niet. Die willen zo snel mogelijk met pensioen. En werken en succes hebben is verdacht. Aan die mentaliteit heb ik een hekel. Ik heb nu vijf medewerkers. Zij werken, ik controleer en ga rijden. En samen proberen we dingen te verbeteren.

“Rubens schilderde ook niet meer zelf”, lacht hij, terwijl we naar een andere ruimte wandelen. “De kwaliteit van onderdelen die ik kocht was vaak bedroevend. “Met de waterjet-snijmachine maken we de kleinste stukjes, bijvoorbeeld contactjes voor schakelaars in een Rolls-Royce. De tekeningen kan je kopen bij hun Heritage Trust. We doen ook aan reverse engineering: bestaande onderdelen namaken zonder tekeningen. Dus door ze op te meten en Computer Aided Design, Computer Aided Manufacturing en CNC-machines te gebruiken. Voor de Bugatti Type 55 hebben we de beste geslepen klepzitting ter wereld ontwikkeld. Dat is fun! Maar sinds ik mijn eigen onderdelen maak, verdien ik minder dan toen ik ze elders liet maken en op commissie werkte.” Hij toont nog een hele kast met schroefdraad. “Ook Belgische”, lacht hij. “Voor Minerva's. De tappen en snijkussens vond ik op zolder bij een firma in Luik. Fantastisch vind ik dat. Al ben ik misschien de enige.”

“Hier leef ik voor”, benadrukt hij. “Ik sta 's nachts vaak op om een inval op te schrijven. Maar het is geen hobby, het is mijn werk. En als ik kon herbeginnen, dan zou ik het in Engeland doen. Al mijn collega's daar zijn binnen. Ik ben vijftien jaar bezig en heb geen bal – enkel een lening tot ik bijna zeventig ben. In Engeland wordt ambacht meer gewaardeerd. Elk dorp heeft er nog zijn draaier-frezer en carrossier. Hier leeft de cultuur rond prewars ook wel. In West-Vlaanderen zijn er veel. Maar hier telt meer de heb. En de return on investment. Op bijeenkomsten vliegen de duzenden je rond de oren.” (Lacht)

Photographie par: Ollivision Photography