DE COLLECTIONEUR

Een gepatineerde parel van een magazijn dat ooit bij een villa hoorde werd door een autominnaar ingericht als speeltuin. Mét sfeervolle bar, uiteraard. We lopen er langs een mooie eclectische collectie die niet enkel dient om naar te kijken.

Naast de toog hangt een foto van de verzamelaar als driejarige, gezeten in een trapautootje. “Mijn moeder heeft spijt dat we dat ooit hebben verkocht”, lacht hij. “Het had hier mooi gestaan. Zij vraagt zich altijd af waar het virus me te pakken heeft gekregen. Al heel vroeg had ik iets met auto's. En neen, ik kan niet uitleggen wat dat is. Mijn vader was onderwijzer en maakt van alles met hout. Ik werk aan auto's. Maandagavond is sleutelavond. Er is altijd wel iets te doen. En met z'n tweeën gaat alles drie keer sneller. Soms zijn we met z'n drieën. We zijn complementair. We doen het onderhoud van de auto's, en kleine herstellingen. Nadat de Porsche 911 2.4 S (1972) werd aangereden tijdens een rally hebben we hem deels zelf gerestaureerd. Nu bouwen we hem weer op. Het is een zogenaamde 'Ölklappe', met de olievulklep op de plaats waar normaal de benzinedop zit: een stommiteit die Porsche snel corrigeerde, maar nu zijn die zeldzame exemplaren wel meer waard.”

Neen, hij heeft geen technische opleiding genoten. Een autodidact, dus. En zoals vaak begon het ook voor hem met bromfietsen. Maar dat ook die werden bewaard, zie je zelden. “Ik haalde ze uit elkaar en compileerde ze tot iets nieuws”, zegt hij, en wijst naar de Motobécane Mobylette (1971) met Honda-zadel. “Die is van m'n toenmalige vriendin – nu m'n vrouw. En de Puch Cobra (1977) heb ik al sinds m'n zestiende. De Kreidler Florett (1977) kocht ik tien jaar geleden voor m'n zoon. Bij een van de eerste ritjes werd de brommer op de rollen gezet en aangeslagen. Mijn zoon moest een cursus volgen. En was na afloop zo bang dat hij haast niet meer durfde te rijden. Toen we de Kreidler terug gingen halen uitte de commissaris zijn bewondering voor het ding – 'Die is niet gebouwd om slechts 45 kilometer per uur mee te rijden, hé', zei hij. Maar sindsdien is de brommer niet meer in het verkeer geweest.”

Er staat ook een Ducati 907 ie (1991). “Deze gebruik ik, ja. Voornamelijk om doorheen de files te slalommen.”

Slechte verkoper

“Een vriend van me had de Porsche Targa die zijn vader ooit nieuw had gekocht”, vertelt hij. “Nadat die vader was overleden, wilde hij 'm verkopen. Ik heb 'm omgepraat. Hij is me er dankbaar voor. Zelf heb ik nog nooit naar een auto gezocht. Ze verschijnen toevallig op mijn pad. En mensen lachen altijd omdat ik bij elke auto een verhaaltje klaar heb. De Alfa Romeo Giulia GT 1300 Junior (1967) is van mijn geboortejaar. Het is een Belgische auto, met matching numbers. De originele 1.3-motor werd wel omgebouwd tot tot een 2.0. Nu is hij goed voor 150 pk. Ik kocht 'm recent van een vriend die 'm tiptop had laten restaureren, waarna hij er niet meer mee durfde te rijden.” We staren naar het fraaie hout op het stuur en in het interieur. “De originele zetels heb ik ook, maar deze zitten beter”, klinkt het.

De nummerplaat laat vermoeden dat hij de Alfa Romeo 2600 Spider (1964) allang heeft. “Het was de allereerste die ik kocht, zowat twintig jaar geleden”, lacht hij. “Nadat ik als copiloot had deelgenomen aan een rally in de MG van een vriend. Ik wilde iets met vier zitplaatsen, opdat de kinderen mee konden. Dit is een echte GT. Gemaakt voor de Amerikaanse snelweg. Hij haalt makkelijk 160 kilometer per uur. Destijds betaalde ik 22.000 euro, nu is hij zowat het viervoudige waard. Intussen werd hij wel gerestaureerd. Maar aan verkopen denk ik niet. Daarin ben ik sowieso niet goed.”

Hij heeft iets met Italiaanse auto's. “Toen een vriend me belde en zei dat hij een Lancia Delta HF Integrale Evo I (1992) in topstaat had gevonden, hoefde ik 'm niet te zien. Hij mocht 'm meteen op de trailer rijden. Ofwel vind je ze in afgetrapte staat, ofwel zoals deze: te mooi om mee deel te nemen aan rally's. Het is een bijou met slechts 84.000 kilometer op de teller. Hij komt van de eerste eigenaar in Nederland. Een maniak van 75.” Hij toont het mooie, groene velours in het interieur. “Hij rijdt waanzinnig. Dit was het ultieme rally-icoon, dat tussen 1987 en 1992 zes keer na elkaar wereldkampioen rally werd – in 1992 was ik 25.”

Hij grabbelt in zijn doos vol contactsleutels en maakt aanstalten om de Peugeot 205 1.9 GTI (1989) uit beeld te zetten. Daar kan geen sprake van zijn. De auto spreekt minder tot de verbeelding dan de Delta, maar stilaan wordt ook dit een verzamelobject. “Die kocht ik vorig jaar in een zotte bui. De eerste auto waarmee ik ooit reed was de 205 1.1 XE van mijn moeder. Met vier vrienden trokken we ermee naar Zuid-Frankrijk. Een 1.9 GTI leek toen onbereikbaar. Dit exemplaar komt uit Japan en verzeilde later in Duitsland. De auto is volledig origineel en staat in eerste lak. Maar ik heb er nog nooit mee gereden.”

Widowmaker

“Ik wil m'n auto's ofwel zo puur mogelijk, ofwel als toprestauratie met matching numbers. De Jaguar E-Type Series I Flat Floor (1961) is van de tweede soort. Toen ik ermee deelnam aan de Zoute Grand Prix heeft hij wel afgezien. Vergeleken met de originele spaakvelgen geven deze exemplaren er een mooie, sportieve touch aan. Er werden ook verbeteringen aangebracht aan de ophanging, remmen en de koeling. En hij kreeg Webers in plaats van de originele SU-carburateurs. Dit XK6-blok werd gebouwd van 1949 tot 1992, en is in deze versie pittiger dan het latere V12-blok. Hij haalt 240 kilometer per uur op z'n sokken. Vorig jaar reden we er een rally mee in de Alpen. Nadat we arriveerden in Saint-Tropez zijn we er 1200 kilometer mee naar huis gekomen, terwijl veel andere deelnemers het vliegtuig namen.

Met geprikkelde fantasie wandelen we verder. “Ze zijn bijna allemaal ingeschreven”, vertelt onze gastheer. “Mensen vragen me weleens hoeveel kilometers ik rij, maar dat hou ik niet bij. Sommigen kopen ze om naar te kijken, of als belegging, ik rij ermee. Ook om te gaan werken, bij goed weer. En ook mijn zoon van 25 gebruikt ze. Al is hij zijn zelfvertrouwen wat kwijt sinds hij een ongelukje had met de Porsche 911 Carrera Targa (1983). Die kocht ik jaren geleden als daily. Zinn metalic is een zeldzame kleur. De auto heeft 103.000 kilometer op de teller en is ongerestaureerd. Hij komt uit Italië, net als de Ferrari 308 GTSi (1982). Ook die heeft een ongewone kleur, maar dit Grigio Ferro staat 'm magnifiek, vind ik. Hij werd een keer herlakt. Ook het interieur liet ik nieuw maken, identiek aan het origineel. Over de betrouwbaarheid maken anderen zich meer zorgen dan ikzelf. Met de Bosch-injectie is het een uitstekende auto. De Porsche 930 Turbo (1983) heeft z'n epitheton 'widowmaker' niet gestolen. Hard dat die gaat! De wegligging is niet zoals van een moderne auto. Je moet een goede chauffeur zijn om z'n 300 pk te bedwingen. Deze vierbak vind ik beter geschikt dan de vijfbak, die kortere verhoudingen heeft. De grote achtervleugel vond ik aanvankelijk niet zo mooi, maar hij heeft wel iets. En hij hoort er natuurlijk bij.”

Waanzinnig modern

Eclectische verzamelingen hebben altijd dat tikkeltje extra. En zoals zovelen viel ook deze verzamelaar de voorbije jaren voor prewars. “Ik kreeg de smaak te pakken op The Flying Scotsman Rally in Engeland en Schotland. Mijn Alvis staat op het chassis van een Firebird uit 1937 maar heeft een zescilindermotor van 3.5 liter uit de Speed 25. Vermoedelijk werd hij in de jaren 70 omgebouwd om in Engeland te racen. Hij is behoorlijk snel. Ik heb er eens 150 kilometer per uur mee gereden. Dat is enorm. Je voelt dat er overal speling is. Dit is autorijden op z'n puurst. Remmen is dúwen. Maar hij is erg goed. Vorig jaar heb ik ermee deelgenomen aan een rally in China: hij gaf geen krimp. De auto liet ik in een container overvaren.”

“Destijds vond ik de vraagprijs iets te hoog, maar de verkoper wilde er niets afdoen”, vertelt hij. “Ik zag de Fiat Nuova 500 (1967) te koop staan voor 10.000 euro. 'Geef die erbij', zei ik. Hij dacht even na en vroeg er op zijn beurt een schoonmaakmachine bij – daar ben ik professioneel mee bezig. Deal.” (Lacht)

De Cinquecento heeft een mooie groen-beige kleurencombinatie. “Mijn dochter rijdt er 's zomers mee. Ikzelf heb dat slechts één keer gedaan. Wat wel wonderlijk is: je kunt er echt met z'n vieren in, terwijl hij piepklein is. Hoe klein zie je pas als je hem naast een nieuwe 500 zet.”

Zijn pièce de résistance is de BMW 327 Cabriolet (1938). “Die auto ken ik al dertig jaar. Een vriendin van mijn vrouw is erin getrouwd. Haar vader had hem gerestaureerd. Ik vond 'm altijd al erg mooi.

En nadat de man vorig jaar overleed, kon ik 'm kopen. Hij kocht 'm destijds van een Zwitser – kijk, er hangt nog een plaatje van Touring Club Suisse op. De papieren gaan terug tot vlak na WO II. Het was een van de eerste auto's van BMW, aangedreven door een 2.0-zescilindermotor. Vergeleken met de Alvis is hij waanzinnig modern – en dan moet je weten dat de Alvis al voorop was op Bentley en Rolls-Royce. De BMW is 80 jaar oud maar rijdt haast als een moderne auto.” Hij laat ons een blik op het voor z'n tijd poepchique interieur werpen en gooit een portier dicht. “Dat zijn nog deuren, hé.”

“Ook hiermee heb ik nog maar een keer gereden”, lacht hij. “Momenteel herstellen we de starter.”

Add lightness

Lotus kreeg hier een bijzondere plek. “Dat begon toen ik eens een klant vergezelde op circuit – mijn eerste keer”, grijnst hij. “Kort erna kwam de eerste Exige. Een vriend had 'm gekocht maar kon er niet in. Die auto heb ik inmiddels verkocht. Mijn laatste aanwinst is de Exige 3.5 V6 Sport (2019). Die is wat meer auto – hij verving de Audi R8 die ik een beetje moe was. Standaard heeft-ie 350 pk voor 1100 kilogram, maar er zijn ook versies met 410 en 430 pk. Gaat hard, hoor.”

“Eerder kocht ik ook deze 2-Eleven Launch Edition (2007). Hiermee rij ik enkel op cricuit. Hij weegt 670 kilogram en heeft 255 pk. Ik hou van het devies van Colin Chapman: add lightness. De auto's hebben een relatief laag vermogen maar zijn licht en zeer wendbaar. Toen Chapman voor het eerst op het circuit arriveerde, lachten ze hem uit, maar hij reed de Ferrari's naar huis. Een Lotus is ook budgetvriendelijk. En door dat lage gewicht gaan de banden en remmen veel langer mee. En zeker sinds ze motoren van Toyota gebruiken, geven ze mechanisch geen krimp. Nooit heb ik er een technisch probleem mee ervaren.”

Ernaast staat een auto die we niet meteen kunnen determineren. “Een Chevron”, klinkt het. “Dat Engels merk werd in 1965 opgericht door Derek Bennet, die later verongelukte bij het deltavliegen. Dit is een B16 'continuation car', in 2010 gebouwd door Chevron Racing Cars Ltd, maar honderd procent volgens de specs van 1970, met bijgevolg ook een FIA Historic Technical Passport. Ook hier geldt: less is more. Je had er met Ford Cosworth-motoren, maar ook met de viercilinder-tweelitermotor van de BMW 2002, weliswaar gepimpt tot 220 pk voor dik 500 kilogram. Dit is zo'n exemplaar. Hij is beenhard, en aan veiligheid mag je niet denken. Eén of twee keer per jaar zet ik 'm op circuit.”

Ineens horen we een vertederend gepruttel. Mevrouw komt thuis in de Volkswagen Transporter T1 (1967). “Aha! Ze is naar de keuring geweest”, klinkt het. “We hebben 'm afgelopen winter ingericht en willen er deze zomer mee op reis. Niet ver, hé. Naar het noorden van Nederland. Ik ga er geen duizend kilometer mee rijden.” Maar de bus blijkt afgekeurd: onder meer het chassis en de ophangingen vergen nog wat werk. “De reis zal voor volgend jaar zijn”, lacht hij. “We zijn er nochtans lang aan bezig geweest.”

Photographie par: Ollivision Photography