INTERIEUR - NATHALIE DEBOEL

‘Een woning is als een maatpak, dat niet al te strak zit,’ zegt interieurarchitecte Nathalie Deboel. In afwachting van haar eerste monografie: een exclusief interview, tussen Knokke en Brussel.

Een primeur om mee te beginnen: Nathalie Deboel publiceert binnenkort haar eerste boek. Een monografie van een kleine 300 pagina’s wordt het. En Luxury Leads mag er al wat exclusieve beelden uit publiceren. ‘Na 15 jaar vond ik het tijd voor een monografie,’ zegt de Knoks-Brusselse interieurarchitecte. ‘Er komen een 16-tal woningen in, die we recent opleverden.’ Wat je er níet in zal lezen: Nathalie Deboel begon haar carrière als retailarchitecte voor Massimo Dutti en Zara. Ze volgde mee de werven op van al hun nieuwe winkels in de Benelux. ‘Een fantastische leerschool, dankzij Johan Vandendriessche, die al die modemerken in België groot maakte. Hij leerde me plannen en organiseren,’ vertelt ze. 


Comfortabel maatpak 

Toch vond Deboel die retailwereld op de duur wat te oppervlakkig. Te vluchtig ook, teveel decor, teveel gericht op korte termijn effect: verkopen. Daarom startte ze op haar 35ste haar eigen bureau voor interieurarchitectuur in Knokke, gespecialiseerd in privéwoningen en kantoren. ‘Ik vond dat ik eerst wat levenservaring moest opdoen, vooraleer ik zelf woningen voor klanten kon beginnen tekenen. Als je 25 jaar oud bent, heb je die bagage nog niet. Leren luisteren naar wat je klanten willen: dat leer je echt niet op school. Dat kan je pas, als je zelf aan den lijve ondervond wat een gezin nodig heeft. Ik wil me kunnen inleven in het verhaal van mijn opdrachtgevers. Ik wil hun manier van leven tot op de draad leren kennen. Ja, dat is best intiem. Maar met empathie kom ik tot de beste oplossingen. Ik ben niet het soort architect dat enkel bouwt voor zichzelf, zonder compromissen.Volgens mij moeten we stilaan af van die egocentrische stijlgoeroes, die hun esthetiek tot in de kleinste details willen doordrukken. Voor mij moet een huis als een maatpak zijn. Maar liefst een kostuum dat niet al te strak zit. Een soort comfortabel canvas voor het dagelijks leven. Een canvas waarbinnen je zelf je eigen stijl en persoonlijkheid kan laten evolueren. Kortom: een canvas dat je gelukkig maakt. Het mooiste compliment kreeg ik onlangs van een klant: ‘Professioneel en privé had ik een hel van een jaar. Maar mijn huis heeft me gered.

’ Nieuw-samengestelde gezinnen, co-living, (klein-)kinderen, een groeiende  unstcollectie, huisdieren: onze vorm van samenleven verandert vaak zo snel. Hol je niet constant de feiten achterna als interieurarchitect? ‘De huizen die ik teken, moeten daarop een gepast antwoord bieden, zodat je ze niet om de vijf jaar moet verbouwen,’ zegt Deboel. ‘Als interieurarchitect ben je geen kunstenaar, maar een moderator tussen de personen en generaties die onder één dak samenwonen. Dat vergt wat diplomatie soms. Maar ik ben ervan overtuigd: in een goed bedacht huis ga je automatisch goed wonen.’ 

Natuur binnen handbereik

Met haar kantoor koos Deboel voor een ongewoon parcours: ze begon eigenlijk met vakantiewoningen voor tweedeverblijvers in Knokke en omstreken. Maar omdat die klanten zo blij waren met het resultaat, vroegen ze Nathalie ook om hun hoofdwoning aan te pakken. ‘Dat bleken nogal vaak Brusselse klanten te zijn. Vandaar dat ik ook een kantoor opende in Ukkel. Ik verdeel mijn tijd nu over de twee bureaus.’ Het verschil tussen een vakantiewoning en een ‘dagelijkse’ woning ontwerpen is niet gewoon een kwestie van andere ligging of andere kleuren. Het vergt compleet ander denkwerk. ‘Aan zee wil je relaxed kunnen wonen. Het huis moet een plek zijn waar je met de familie kan tot rust komen én waar je met veel volk kan logeren. In een eerste verblijf heb je andere noden: een bureauruimte, een ruimte om te fitnessen, een atelier, een TV-kamer, een praktisch washok. Als je aan zee bent ‘s weekends, is dat geen prioriteit.’Deboel heeft beide: een huisje aan zee, in Oostkerke.En een woning in Ukkel, aan de rand van het Zoniënwoud. In beide gevallen is er natuur in de directe omgeving. ‘Dat is super belangrijk voor mij, ook in mijn andere projecten,’ zegt ze.‘ Als
interieurarchitect werk ik van binnen naar buiten. Niet omgekeerd, zoals vele architecten. Daardoor is de relatie met de omgeving heel erg belangrijk. Dat is ook de reden waarom ik intuïtief zoveel mogelijk natuurlijke  materialen gebruik, zoals klei, hout, leem, terracotta, vlas of kalk. Die verouderen veel mooier en evolueren mee met de woning. Een keuken in plexiglas zal je mij niet zo snel zien ontwerpen. Een huis is een cocon waarin mensen zich goed voelen, maar waar ze ook de connectie met de natuur kunnen leggen dankzij natuurlijke materialen. Dat geldt voor een vakantiewoning aan zee, maar evengoed voor een chalet in de bergen f een villa in het bruisende centrum van Tel Aviv.’

Great Gatsby

Deboel kiest de voorbeelden niet toevallig: het zijn allemaal realisaties die ze recent afwerkte. En die – spoiler alert - ongetwijfeld in haar boek zullen komen. Maar één van de meest bijzondere werven op haar CV is ongetwijfeld die van ‘Au Bain Marie’, het restaurant vaar haar zus in Astene. Dat is ondergebracht in Villa Landing, de dokterswoning van Adriaan Martens, in 1933 gebouwd door Henry Van de Velde. De architect was toen 70, maar doceerde nog bouwkunst aan de Gentse universiteit. Datzelfde jaar kreeg hij trouwens de opdracht om de Gentse Boekentoren te bouwen. Toeval of niet, het inkompaviljoen van de toren lijkt sterk op de originele Villa Landing, die in de jaren '50 en '80 al eens ingrijpend verbouwd werd. ‘Henry Van de Velde heeft grote schoenen om te vullen,’ lacht Deboel.

‘Ik was natuurlijk ontzettend vereerd met die opdracht. Maar tegelijk kreeg ik drempelvrees. Kon ik daar wel een gepast antwoord op formuleren? Onder architecten is hij een naam waar enorm naar opgekeken wordt. Daarom bedacht ik de volgende strategie: ik heb me zoveel mogelijk in zijn plaats ingeleefd. Hoe is hij aan die opdracht begonnen? Wat waren de belangrijkste ideeën qua zichten en lichtinval? Met welke materialen werkte hij? Met al die antwoorden gingen we in het interieur aan de slag. In de jaren '30 gebruikten Van de Velde en zijn tijdgenoten vaak brons, natuursteen, donkere houtsoorten en contrasterende kleuren. Ook
de afgeronde volumes, het beton en de stroken baksteen van de buitengevel vertaalden we naar binnen. Ik ben in dialoog gegaan met de modernistische architectuur, maar zonder dat ik van Villa Landing een teletijdmachine wou maken. De vraag is: hoe zou Henry Van de Velde nu naar zijn huis kijken, als hij hier kwam lunchen?’

Onze suggestie: hij zou wellicht gecharmeerd zijn door het gesofisticeerde interieur. Maar misschien zou hij ook wel gechoqueerd zijn door het hedendaagse superflashy vasttapijt van Dimore Studio, dat Deboel in het restaurant legde. ‘Hmm, ik denk van niet. De Milanese Studio Dimore inspireert zich ook altijd op de jaren 30. Het tapijt heeft een hoog Great Gatsby-gehalte. In een restaurant moet er toch iets te beleven vallen?’ 

Eigen smaak 

Nathalie Deboel is bekend om haar empathische aanpak: ze kan als geen ander luisteren naar de wensen van haar klanten. Haar psychologisch doorzicht zorgt ervoor dat een woning bijna een zelfportret wordt van de eigenaars. ‘Veel van hen, vaak zakenlui, zijn na de werken vrienden geworden. Regelmatig bel ik hen nog eens op om professioneel raad te vragen. Ze zitten in mijn fictieve raad van bestuur,’ zegt ze. Maar naast inlevingsvermogen heeft Deboel wel degelijk een eigen smaak. En die etaleert ze graag ’s zomers in haar Knokse kantoor, tijdens het bouwverlof. Dan worden de bureaus een tijdelijke exporuimte waar ze jong talent van bij ons een podium geeft. ‘Ik vertaal dagdagelijks al de wensen van andere mensen, maar ik heb zelf een enorme passie voor design, literatuur, kunst, klassieke muziek, noem maar op. Ik vind het wel eens leuk om die kant van mijn persoonlijkheid te laten zien.’ Twee zomers geleden presenteerde ze het werk van meubelontwerper Arno Declercq: een toptalent dat intussen internationaal is opgepikt. Zijn tafels, stoelen en interieuraccessoires kan je de kruising noemen tussen Rick Owens’ esthetiek en Afrikaanse kunst. ‘En vorige zomer toonden we het werk van Wouter Hoste en Harvey Bouterse: twee keramiekkunstenaars uit Antwerpen, die elk een heel eigen universum hebben. Ook zij kregen de jongste tijd al veel airplay, onder meer in New York Times. Ik werk zelf graag samen met Belgisch talent voor specifieke architectuurprojecten. Keramiste Bela Silva schakelde ik in voor een unieke spiegel met een kader in keramiek. Jos Devriendt, een kunstenaar die ik al 20 jaar ken, maakt momenteel een lamp voor mij. In mijn boek wil ik al die artisans en kunstenaars óók een plek geven, naast mijn interieurs. Zelf droom ik ervan om een eigen meubelcollectie te hebben. Ik heb voorlopig enkel al tafels ontworpen voor specifieke klanten. Wie weet komt het er ooit van.’ We houden u op de hoogte.

Fotografie door: Cafeine.be