DE COLLECTIONEUR N°0005

Dromen doet geen zeer, steil achterover vallen kan wel pijnlijk zijn. Recent bezochten we een verzameling die ons deed duizelen. En onze reislust aanwakkerde. 'Een auto zonder koffer: verschrikkelijk vind ik dat.”

Buiten staat een Toyota Land Cruiser (2007), waarvan de bestickering verre bestemmingen verraadt. "Iran, dat was in 2017", vertelt de Oost-Vlaamse ondernemer, terwijl we zijn garage betreden en de collectie aldaar onze adem afsnijdt. "Elfduizend kilometer in één maand, of zowat 400 kilometer per dag: best te doen. Eind dit jaar gaat hij naar Mumbai. Wij rijden er dan mee naar Bangkok, via Bhutan, Cambodja, Myanmar, Vietnam, enzovoort.Ik weet nog niet of ik 'm nadien laat terugbrengen naar huis. Misschien gaat hij eerst nog naar Penang in Maleisië: een goede uitvalsbasis voor Australië en Nieuw-Zeeland.” 

“Een tweede Land Cruiser liet ik naar Buenos Aires verschepen, vanwaar ik Argentinië, Uruguay, Paraguay, Chili en Bolivië bezocht. Sedert september staat hij gestald in LA. Op 1 mei vertrek ik daar naartoe. Op 2 mei heb ik een afspraak in de plaatselijke Toyota-garage voor een groot onderhoud en nadien vertrek ik naar Prudhoe Bay in Alaska. In juni ben ik terug en in juli rij ik dan van Alaska naar New York, om vervolgens de auto terug te sturen naar België. Hij zal dan zowat twee jaar op het Amerikaanse continent hebben rondgereden en ruim 75.000 kilometer afgelegd. Ik kocht 'm tweedehands, met 145.000 kilometer op de teller. Het is een diesel, ja. Hij haalt vlotjes 170 kilometer per uur."

“Soms reis ik met de Franse organisatie Globetrotter. Andere reizen doe ik alleen. Ooit verscheepte ik een Land Cruiser naar Shanghai, en reed vervolgens door China, Mongolië, Siberië, enzovoort - tot thuis. Vroeger heb ik ook veel offroad gereden. In 1984 nam ik deel aan de Camel Trophy, in het Amazonegebied."

Met open mond staren we naar de auto's, hier. Eentje lijkt uit de toon te vallen. Hij lacht. "De Volvo Duett (1963) heb ik nog maar pas. Het was Volvo's eerste stationwagen. Eind 2020 rij ik ermee naar Zuid Afrika: een georganiseerde reis van 44 dagen. Een copiloot heb ik al. De Volvo is in goede staat, al staat hij dans son jus. Ik moet 'm nog goed nakijken, maar wil 'm wel origineel houden. In de kofferbak komt een ijskast. Het originele hout behou ik wel, en moet mooi blijven."

We dansen verder door de balzaal. "Met de Jaguar E-type V12 Series 3 (1972) was ik twee keer in de Verenigde Staten – we lieten 'm verschepen en gingen er zelf achteraan met de Queen Mary 2", vertelt de gemotoriseerde globetrotter. "En ook eens in Maleisië en in Argentinië. Deze wagen werd nieuw in België verkocht, als een van de weinige – de oliecrisis woedde volop. Met de XK 140 OTS (1956) heb ik Route 66 gedaan – van New York via Chicago tot Los Angeles. Túúrlijk zonder dak." Ernaast staan een XK 120 DHC (1954) en een XK 150 DHC (1959). Die laatste heb ik al sinds 1985. Ik was toen 38. Toen ik 'm in Brussel zag staan, dacht ik: 't Is de mijne. Hij kwam van Arizona. In goede staat, al was een en ander wel verstorven. We
restaureerden 'm wat, vernieuwden het interieur, het dakje en de lak. Sindsdien heb ik er meer dan 100.000 kilometer mee gereden, in heel Europa - van het Zuiden tot de Noordkaap."

Miskoop

"Er zijn twee soorten auto's", zegt hij. "De auto's die ik móét hebben, zoals de XK150. En auto's waarvan ik zeg: voor die prijs koop ik 'm, zoals nu die Volvo. Ook de 300 SL Roadster (1959) was een must. Niettemin: toen ik 'm vijftien jaar geleden kocht, heb ik nachten niet geslapen omwille van de vraagprijs. Sindsdien is de waarde verviervoudigd. Maar ik ben een verzamelaar, geen investeerder. Het is plezant als ze aan waarde winnen, maar als de prijzen ineenstorten zal ik er niet om malen. Deze auto gebruik ik vooral binnen de 300 SL-club. Die organiseert één of twee uitstappen per jaar. Zo bezochten we in colonne Friesland en Praag."
Aan de spierwitte muren hangen behalve herinneringen aan de tientallen reizen ook stuurwielen van vroegere auto's, of van exemplaren die hier staan en die vervangen werden. We lopen langs een Austin Healey 100/4 met LM-look (1955) en een Maserati 3500 GT (1962). "Die laatste was mijn slechtste koop ooit, bij Bonhams op de Zoute Sale. Hij kwam van een bekende Nederlandse handelaar. De prijs was goed, de motor was dat allesbehalve – net daarom lieten ze de auto door Bonhams verkopen. Toen ik 'm achteraf aan specialisten toonde, schrokken ze zich een hoedje. Alles werd vernieuwd. Sindsdien heeft de motor minder dan 1000 kilometer gelopen. Maar het blijft een schoonheid. Van het koetswerk van Touring werden er een paar duizend gemaakt. Dit was het eerste model waaraan Maserati geld verdiende."

 "De BMW Z8 (2000) kocht ik tweedehands in 2005. Oorspronkelijk zou ik 'm als daily gebruiken, maar dat heb ik niet echt gedaan. Het was een instant-klassieker. Hiermee rij ik al eens naar Zuid-Frankrijk."

Uitgespeeld

De collectie is divers, en bevat ook enkele opmerkelijke Amerikanen, zoals de gele Buick Roadmaster (1948). "Zo had mijn grootvader er een. Dit exemplaar bracht een vriend voor me mee uit de VS. De blauwe Skylark (1953) werd slechts één jaar gemaakt, ter gelegenheid van 50 jaar Buick. Het is een sportieve versie, op basis van die Roadmaster. En met alle opties, al werd hij wel veel duurder verkocht. Een full option Roadmaster kostte 3.500 dollar, deze 5.000. Hij rijdt beter dan je zou denken. Toen ik eens dringend thuis moest zijn heb ik er makkelijk 130 kilometer per uur uitgeperst." Met de originele Lagonda LG 45 Roadster Tourer (1936) gaan we nog verder in de tijd. "Vergeleken met de Drophead Coupé met vaste stijl werden er van de Tourer weinig gebouwd. Natuurlijk reis ik ook hiermee! Naar Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Tsjechië,... Ik ben zowat vierenhalve maand per jaar weg, soms met mijn vrouw, soms met vrienden."

Er staan twee Porsches: een 911 Cabrio (1986) en een 911 Speedster WTL (1989). Dat laatste staat voor Werks Turbo Look. "Die vind ik de mooiste – al is de smalle versie de duurste", zegt hij. "Dit exemplaar heeft slechts iets meer dan 40.000 kilometer op de teller. Hij stond op een beurs in een hoekje, niemand keek ernaar. Toen ik een bod deed, bleek hij plots niet meer te koop. Ik heb toen mijn garage uitgespeeld. 'Als je wil dat je auto op een speciale plek terechtkomt, dan moet je 'm voor die prijs laten gaan', zei ik. De verkoper had véél auto's, en heeft 'm me gegund. Dat zie je wel vaker in het wereldje." "Maar ik ben niet echt een Porsche-man", voegt hij eraan toe. "Ik heb graag de motor vooraan. En een grote koffer, zodat ik op reis kan. Geen koffer: verschrikkelijk vind ik dat."


Blazen

"Als ik in al die jaren vijf collectieauto's heb verkocht zal het veel zijn", zegt onze verzamelaar. "Een daarvan was een Mercedes-Benz 300 SEL 6.3 (1969). Die reed als een kanon. Een Facel Vega (1959) en twee Ferrari's: een 250 GTE (1963) waarmee ik Schotland nog heb doorkruist, en een 330 GTC (1967). Van die laatste heb ik spijt. Niet zozeer omwille van z'n waarde, maar gewoon omdat het een zeer goede auto was. Het was een vijftal jaar geleden. In het Zoute, aan de rode lichten, vroeg iemand of hij te koop was. Ik schudde van neen. Aan de volgende lichten vroeg hij of hij eens mocht komen kijken. Uiteindelijk ben ik overstag gegaan. Mijn vraagprijs lag te hoog, waarna de man 'm dan maar samen met een vriend kocht. Hij
was weg. Helaas."

 "Eigenlijk verkocht ik 'm ook om de 365 GTB/4 Daytona (1973) te kopen", erkent hij. "Dat was er ook zo één die ik écht wilde. Toen ik een jongeman was, was het dé auto. Goed, comfortabel, betrouwbaar. Eén nadeel: het moet hard gaan. Hij is niet gemaakt om minder dan 4000 toeren te draaien.Dat wil zeggen: 120 km/u in derde versnelling. De motor moet brullen!" "Ik herinner me het weekend waarop ik mijn zoektocht begon. Over de hele wereld stonden er een dertigtal te koop. Ik vergeleek kleuren en opties. Dit exemplaar stond in Oostenrijk, bij een particulier – de zoon van glasfabrikant Riedel: een jonge gast die een LaFerrari wilde kopen. Als je van thuis uit niet hoeft te kijken op 100.000 euro doe je rare dingen. Een specialist uit München ging kijken. Het was de goedkoopste Daytona op de markt, en wellicht een van de beste. Er was een factuur bij van nieuw lakwerk: 20.000 euro."

 "Dit is een auto om te blazen, niet voor kleine rally'tjes. Vorig jaar heb ik er hooguit één keer mee gereden. Op een zaterdag neem ik rapper de 275 GTS (1965). Ook dit was zo'n auto die ik móést hebben. En ook deze heb ik eens bijna verkocht. Gelukkig vroeg ik toen écht te veel geld en is de deal niet doorgegaan." (Lacht)

 "Doorgaans koop ik ze zoals je ze hier ziet. Van restauraties die jaren duren hou ik niet zo. Kleine zaken zoals olie vervangen doe ik zelf. Zodra zich grotere werken aandienen zoek ik specialisten. Met de 300 SL ga ik naar Matthieu Woerhle in Markgröningen, in Duitsland. Met de Lagonda naar LMB. Voor de Ferrari's bij Gipimotor in Brussel. Maar dat gebeurt al bij al niet vaak. Ik weet eigenlijk niet of ze me daar nog kennen."

Geluk

"Mijn auto's zijn in goede, maar wel gebruikte staat. Het is dus niet zo dat ik er meteen mee kan
deelnemen aan concours. Dan kan je er niet meer mee rijden. En dat is wat ik wil: rijden en reizen, overal. Als je rijdt denk je trouwens niet aan de waarde. Ik gebruik ze allemaal, naargelang de omstandigheden. Heb ik een nieuwe, dan zal ik 'm wat meer uithalen."  

Toch is er een uitzondering: zijn Ferrari 575 Superamerica (2005). "Die vind ik bijzonder mooi, met het donkere maar doorzichtige dak dat zich in één beweging opent en sluit. Probleem: hij heeft slechts 10.000 kilometer op de teller. Als ik er eens mee naar het Zuiden rij, worden dat er meteen 15.000. Had hij er 40.000, dan zou ik dat probleemloos doen, maar nu hou ik me in. Misschien is hij ook iets te voyant. Misschien mag hij weg. Ik weet wat ik in de plaats wil, ja. Maar dat is zéér duur: een Maserati 3500 Spyder, gebouwd bij Vignale. Misschien moet ik ruilen en wat bijleggen." "Neen", zegt hij, "echt gelukkiger zou ik daar niet van worden. Geluk moet je in jezelf zoeken. Dat wéét ik. Ik lig er ook niet wakker van. Maar het zou leuk zijn."

"Ik ben in de eerste plaats een autoliefhebber. Als het MG'tjes of Alfaatjes waren, was het ook prima. Een 2 PK of R4 is ook plezant. Ik heb overigens ook een Volkswagen 181 (1972) en twee Kevers (1967, 1969), waarbij eentje dat van de grootmoeder van mijn schoondochter was. Al wat meer is, is relatief. Maar als je verzamelt, geraak je altijd aan meer. Er zijn eenvoudige mensen die na jaren verzamelen de duurste postzegels in hun kast hebben liggen. Iets zoeken - en vinden - is plezierig. Zoals de Volvo. Ik heb 'm nu twee weken, en kom er elke dag naar kijken. Er zit karakter in, hé? Mijn vorige aanwinst was de Mercedes 280 SL Pagode (1969). Ik loop hier vaak gewoon rond te kijken. En steevast langer dan ik plande. Een half uur is zo voorbij." Eenentwintig auto's, tellen we. "Als de winter begint, kuisen we de garage en worden ze mooi gepositioneerd. Ik heb rollertjes om ze te verplaatsen. Maar 's zomers staan ze schots en scheef", lacht hij. "Alvorens er een te starten duw ik 'm weleerst buiten. Voor de properte. Soms braken ze een zwarte roetwolk uit, die tot in de kasten sporen achterlaat."

Een lieveling kiezen kan hij niet. En of de volgende generatie ze samenhoudt, staat niet vast. "Mijn zonen zijn met andere dingen bezig. Ze vinden het allemaal wel geestig, maar voor hen is het niet zo'nroeping als voor mij."