CARCHITECTURE

Een wagen is als een handtas: een accessoire die de look van je huis helemaal kan afmaken. Het kijkboek ‘Carchitecture’ bewijst hoe hard de wereld van architectuur en automobiel met elkaar vergroeid zijn.

Carchitecture staat nog niet in het Engelse woordenboek. Maar als het van journalisten Thijs Demeulemeester, Bert Voet en fotograaf Thomas De Bruyne afhangt, moet dat niet te lang meer duren. Er zijn zoveel raakvelden tussen automobiel en architectuur dat ze er een gelijknamig kijkboek over maakten, zopas uitgegeven bij Lannoo. Voor ‘Carchitecture’ zochten de drie wereldwijd naar de mooiste ‘autohuizen’: bijzondere woningen waar je quasi leeft rondom je auto’s. Of huizen waarvoor de wagen het perfecte gekozen accessoire is. Feit is: auto’s en architectuur versterken elkaar enorm. Kijk maar naar autoreclames of naar vastgoedadvertenties.

Soms past een auto echt zo goed bij een woning dat het plaatje perfect klopt. Als die ‘plaatjes’ interessant genoeg waren, haalden ze ‘Carchitecture’. Het boek bundelt de strafste combinaties van klassieke, moderne en hedendaagse architectuur met zeldzame classic cars, supercars en zelfs youngtimers. Waar anders past een exclusieve brulboei als de Alfa Romeo Tipo 33 Stradale dan in een agressieve betonnen loft? De stoere schuurwoning van het Nederlandse bureau FilliéVerhoeven Architecten kreeg ook mooi gezelschap van een Jaguar E-Type. Die asymmetrische vorm, geconfronteerd met de al even asymmetrische Jaguar levert een sterk beeld op. Zeker omdat de textuur van die ruwe schuur en die aerodynamische wagen zo hard botsen. Nog sterker is de Citroën SM – met performante Maserati motor onder de kap - tegenover een messcherp appartementsgebouw van Fuhrimann – Hächler in Zürich. De combinatie van beide heeft zonder twijfel icoonwaarde.

Soms worden huizen zelfs volledig rond een (auto)collectie ontworpen. Een architect met een beetje liefde voor auto’s – en zo zijn er gelukkig heel wat – degradeert de wagen niet tot de oprit, maar rekent hem als bepalende factor mee in het woonontwerp. In het beste geval krijgt hij een even belangrijke plaats toegewezen als de keuken, de slaapkamer of de dressing. Antwerpenaar Dieter Vander Velpen bedacht bijvoorbeeld een villa met een glazen ‘wissellijst’ aan de inkom. Geen transparante garage, maar een ‘car cabinet’, waarin de bewoner beurtelings één van zijn collectiewagens kan uitstallen. Soms is dat een Maserati Mexico (1967), soms een Maserati Ghibli (1970), soms een Polestar (2020): stuk voor stuk bijzondere wagens, die in de glazen doos het statuut van kunstwerk krijgen.

Joyriden met Frank Lloyd Wright

Chrysler heeft sinds 1930 zijn Chrysler Building in New York. Dat is al lang niet meer de hoofdzetel van het Amerikaanse automerk, maar de wolkenkrabber behield zijn autogerelateerde roepnaam. Ook Aston Martin zet inmiddels zijn eerste stappen in de architectuur. Het Britse luxeautolabel startte recent met een service om bespoke woningen te ontwerpen rond een autocollectie. Hun eerste renderings zagen er nogal ‘James Bond’ futuristisch uit. Maar het idee is niet nieuw: auto’s en architectuur doen al 100 jaar een flirterige paringsdans. En dat is exact het thema van het boek ‘Carchitecture’.

De grootste autofreak onder de 20ste- eeuwse architecten? Dat wordt een nek-aan-nekrace tussen Le Corbusier en Frank Lloyd Wright. Die laatste mag zichzelf ‘de peetvader van de carport’ noemen. De carport was de eerste vorm van ‘autoarchitectuur’ én de eerste poging om de wagen een eervollere plaats te geven dan de oprit. Frank Lloyd Wrights ‘Robie House’ uit 1909 was één van de eerste privéwoningen waar de auto’s indoor werden gestald. Het huis telde maar liefst 3 inpandige garages én een smeerput. En dat was echt uitzonderlijk voor die tijd, want de weinige mensen die begin de 20ste eeuw een auto hadden, zetten die meestal op straat of in een apart schuurtje. Net als zijn opdrachtgever Frederick Robie was Wright een petrol head eerste klas: hij kocht in zijn leven een 80tal auto’s, de één nog exclusiever dan de ander. Met zijn lawaaierige joyrides teisterde hij bijna dagelijks zijn buren in Oak Park, Chicago. Zijn eerste collectiewagen was een gele 1909 Stoddard-Dayton K5 Roadster: hetzelfde model dat de allereerste autorace in Indianapolis won. Niet verwonderlijk: Wright had nogal een zware voet. En ook in prijsonderhandelingen over een nieuwe auto durfde hij wel eens het gaspedaal indrukken. In de showroom negotieerde hij tot 50 procent korting op zijn nieuwste luxeauto, omdat hij als ‘beroemde ambassadeur’ een rijdend reclamebord voor automerken als Lincoln of Cord zou worden.

Wright was zo’n autofan dat hij in zijn carrière meermaals op het kruispunt van architectuur en de automobielwereld werkte. Hij mocht een showroom voor Jaguar ontwerpen in New York, maar hij gebruikte ook meermaals ‘de dynamiek’ van de auto in zijn tekeningen. Het bekendste voorbeeld is uiteraard het Guggenheim in New York: zijn wereldberoemde museumgebouw dat opgevat is als een omgekeerde parkeertoren. Nogal logisch dat Wright zich in zijn carrière zélf meermaals aan een auto-ontwerp waagde. Alleen: zijn ontwerptekeningen voor zijn ‘Cantilever Car’ (1920) en zijn ‘Road Machine’ (1955) raakten nooit in productie.

Le Carbusier

Ook Le Corbusier beet zijn tanden stuk op autodesign. Zijn ‘Voiture Minimum’ was een kruising tussen de Citroën Deux Chevaux en de Volkswagen Beetle, maar raakte nooit in productie. De Zwitserse architect was er nochtans van overtuigd dat de woningbouw veel te leren had van de automobielsector. Zeker nadat hij de fabriek van Ford had bezocht, was Corbu was ervan overtuigd: huizen konden even vlotjes van de band rollen als auto’s. ‘Huizen moeten gemaakt worden door machines in een fabriek, geassembleerd als een Ford in verschillende productielijnen,’ schreef hij al in 1923. Hij zag woningen als functionele machines, gemaakt in standaardformaat en in industriële materialen. Hoe sterk de verwevenheid tussen auto’s en architectuur was, bewijst zijn conceptschets uit 1920 voor zijn ‘Maison Citrohan’. Genoemd naar Citröen, omdat hij die huizen – net als een auto - als prefab bouwpakket wou optrekken. Er is nooit een Maison Citrohan gebouwd, maar de auto bleef hem levenslang inspireren.

Ook in zijn ontwerpen hield Le Corbusier bovenmatig veel rekening met de aanwezigheid van auto’s: hoe een wagen een terrein op reed, waar hij parkeerde en welke draaicirkel hij daarvoor moest maken, calculeerde hij allemaal in. Haast elk gebouw dat Le Corbusier realiseerde, liet hij fotograferen met een blitse wagen voor. De auto’s waren voor hem een metafoor van de dynamiek van het modernisme. Reden genoeg om hem vanaf nu Le Carbusier te noemen.

Toekomstmuziek?

Hoe zal de ‘carchitectuur’ van de toekomst eruit zien? Sinds de opkomst van de elektrische auto is het theoretisch mogelijk om je wagen pal in je leefruimte te parkeren, zonder geurhinder of kans op oliesporen. Betekent dat het officiële einde van de garage? Zo’n vaart zal het wellicht niet lopen. Belangrijker: zal de auto nog zo’n belangrijke plaats innemen in de steden en architectuur van de toekomst, nu de deeleconomie zo floreert? Het zijn interessante dilemma’s voor de architecten van morgen. Eén ding is zeker: classic cars zijn een verzameldomein, dat bloeit als nooit te voren. Nostalgie speelt zeker en vast mee. Maar zolang er verzamelaars bestaan, die heel graag in connectie met hun collectiewagens willen wonen, heeft hedendaagse carchitecture toekomst.